Imkerij bestaat op elk continent, maar nergens is het geschreven spoor zo oud en zo ononderbroken als in Griekenland. Bij meerdere Griekse opgravingen zijn keramische bijenkasten uit de bronstijd gevonden. De wetten van Solon regelden in het Athene van de zesde eeuw voor Christus al de minimumafstand tussen bijenstanden. Aristoteles wijdde in zijn Historia Animalium lange passages aan het gedrag van het bijenvolk, drieëntwintig eeuwen voordat Von Frisch de bijendans ontcijferde. Honing van de Hymettus was in de oudheid een luxe-export zoals champagne dat nu is.

Het oudste papieren spoor van de imkerij

Het opmerkelijke is niet de ouderdom, het is de continuïteit. De terracotta kasten van het oude Attica werden gevlochten korven en later de houten ramenkasten van nu, maar het ambacht viel nooit stil. Sommige Griekse families kunnen de imkerij generaties ver in hun stamboom aanwijzen; de routes die hun vrachtwagens elke zomer rijden, volgen paden die ouder zijn dan de vrachtwagens, ouder dan de wegen.

Honing als cultuur, niet als product

In de Griekse oudheid was honing tegelijk voedsel, medicijn, religie en grafgift. Hij werd aan goden geofferd, door Hippocrates voorgeschreven bij wonden en koorts, en voedde, als aardse neef van de ambrozijn, volgens de mythe de jonge Zeus in een Kretenzische grot. Pythagoras leefde naar verluidt grotendeels op brood en honing en zag er het voedsel van een lang leven in.

Daar zijn onopvallende draden van blijven hangen in het moderne Griekse leven: honing over dikke yoghurt als alledaags gerecht, melomakárona met kerst, een lepel in bergthee tegen een verkoudheid, een pot honing als geschenk bij een bezoek. Griekenland heeft nog altijd een van de hoogste honingconsumpties per hoofd van Europa, ongeveer drie keer het Nederlandse cijfer. De cultuur hoefde honing nooit te herontdekken, omdat ze hem nooit heeft weggelegd.

Hoe het landschap het ambacht eerlijk hield

Industriële honingproductie vraagt om vlak land, monocultuur en stilstaande mega-bijenstanden. Griekenland biedt geen van drieën. Tachtig procent van het land is berg; de flora is versnipperd over duizenden microklimaten; de grote honingplanten, wilde tijm, spar, dennen, aardbeiboom, groeien op terrein dat geen machine kan bewerken. De geografie die Griekse honing bijzonder maakt, is dezelfde geografie die industrialisering onmogelijk maakte.

Dus bleef het vak klein, trekkend en familiaal, zo ziet het werkjaar eruit, en bleef de honing standaard rauw. Griekenland telt vandaag ruim twintigduizend actieve imkers, een van de hoogste dichtheden ter wereld, met kasten waarvan het zomeradres dezelfde helling is die hun grootvaders gebruikten.

De erfgenamen van nu

De imkers met wie wij werken, zijn precies die lijn: familiebedrijven van een paar honderd kasten, die met de seizoenen van citrusgaard naar tijmhelling naar sparrenbos trekken. Hun gereedschap is verbeterd, betere ramen, betere wegen, vochtmeters, maar de beslissingen zijn de oude: wanneer de bloei klaar is, welke ramen verzegeld zijn, wanneer te vertrekken, wanneer te wachten.

Elke pot die wij versturen is een directe lijn naar die traditie. De tijmhoning wordt geoogst in hetzelfde korte hoogzomervenster dat de tijdgenoten van Aristoteles kenden; de aardbeiboomhoning komt van dezelfde wilde bomen die elke herfst de kasten van de oudheid voedden. De collectie is klein omdat het ambacht klein is. Dat is geen beperking, dat is het hele verhaal.